Twentse Huttenkloas


In najaarsnachten kan het flink te keer gaan in de Wienersteeg, waar vroeger

de postkoets uit Amsterdam over Delden naar Hamburg onderweg was.

Wanneer de wind door de kruinen zwiept, hoort men soms nog het klappen

van de lange zwepen en de hoefslagen van de paarden, alsof dit geluid voor

altijd is blijven hangen in de holle weg.
Wanneer de storm aanwakkert, dan klagen en zuchten de doden, die hier zo

wreed zijn afgemaakt en die geen rust kunnen vinden, omdat ze zo onver-

wacht en onvoorbereid zijn gestorven. Dat zijn de slachtoffers van de rover:

Huttenklaas. Vanuit de hei, achter de steeg, klinken soms hun stemmen op,

die tot driemaal toe in doodsangst en grote nood "Oh God! Oh God! Oh God!"

roepen. Dan is het ogenblik gekomen waarop de schim van Huttenklaas nadert.

Met gebogen hoofd sleepthij zich langzaam voort door de steeg, want lopen

kan hij niet meer, sinds de Oldenzalers al zijn leden, één voor één, op het rad

gebroken hebben.

Als een vreeswekkende bedelaar die eist in plaats van te vragen, had Klaas

Annink altijd gemakkelijk aan de kost kunnen komen, maar toen hij, ouder

geworden, zich als keuterboer ging vestigen, zat alles hem tegen.
Alleen een geboren boer had het geduld om dit schrale heideland te ontginnen

en Klaas had daar helemaal geen tijd voor of zin in. Als het niet goedschiks

gaat, dan maar kwaadschiks, dacht hij en vanaf dat moment werd er niet meer

gespit of geploegd op de Huttenplaats, de vervallen boerderij aan de

Wienersteeg. Klaas trok er weer als vanouds op uit. Maar niet om te bedelen,

maar om te stelen. Miste een boer een paar volle bijenkorven, dan kon hij er

zeker van zijn, dat een bakker uit Delden of Goor een paar dagen later honing

gebruikte, die hij van Huttenklaas had gekocht, en zoals het met de honing

ging, zo ging het met alles wat Klaas maar gebruiken kon.
Hij en zijn zoons Jannes en Gerrit, die uit hetzelfde hout waren gesneden,

namen het hooi uit de wei, het wasgoed van de lijn, de kippen uit het hok en

de ganzen van het erf, en zelfs als men ze op heterdaad betrapte, durfde men

ze niet aan te klagen, want niemand wilde graag zijn schaapskooi of zijn schuur

in brand zien staan, of zijn vee dood in de wei vinden.

Huttenklaas en zijn gezin joegen er heel wat geld doorheen, en daarom zocht

de rover voortdurend naar middelen, om het te pakken te krijgen, zonder

ervoor te hoeven werken. Een schaapskoopman die hem naar de weg vroeg,

antwoordde hem op zijn vraag of hij geld bij zich droeg: "Ja, vijf gulden!" "Dan

ben je een moord waard", zei Huttenklaas met een harde stem, maar juist op

dat moment kwam er een wagen aangereden en bleef het die keer bij woorden.
Twee slagers uit Delden, twee broers, Mozes en Levy de Leeuw geheten,

gingen een keer op weg om in Hengevelde kalveren te kopen. Onderweg liepen

ze even bij Huttenklaas aan om een pijp aan te steken. Toen Klaas hoorde dat

ze kalveren wilden kopen en dus geld bij zich moesten hebben zei hij "Ik heb

hard geld nodig om het hooi te kunnen betalen". Hij liep snel de deel op, zeker

om een bijl te halen, maar de slagers wachtten niet tot hij terug was en ze

namen meteen de benen. Pompen-Herman, een neef van Klaas’ vrouw, kwam

er niet zo goed van af. ’t Was een brave kerel die wel wist van de vele dief-

stallen die Klaas en zijn zoons begingen. Hij kwam dikwijls langs om een praatje

te maken en om te proberen om ze op het goede pad te brengen. Dat was

natuurlijk vergeefse moeite. Op den duur ging Klaas in hem een gevaarlijke

getuige zien die uit de weg moest worden geruimd, en op een avond, toen hij

rustig bij de haard een pijpje zat te roken, werd hij onverwachts vastgehouden,

waarna de oudste zoon Jannes hem met een bijl de hersens insloeg.

 

De kleine boerderij van Klaas Annink lag eenzaam aan de weg, en het gebeurde

daarom vaak dat marskramers uit Westfalen er in de avond langskwamen, en

vroegen of ze in de schuur mochten slapen, omdat Delden nog zo ver was.
Vroeger had Klaas ze met een grauw en een snauw weggejaagd, maar nu riep

hij ze binnen, gaf hij ze brood en koffie, en informeerde hoe het met de zaken

stond. Wie veel geld bij zich had, kwam nooit in Delden aan, maar bleef voor

eeuwig in het heideland rusten, nadat Klaas hem in z’n slaap de strot had

doorgesneden.

Alleen zijn laatste slachtoffer, die Klaas de kop zou kosten,is met naam en

toenaam bekend. Willem Stint heette hij, en hij ventte met kousen in helblauwe,

groene en paarse kleuren, die de rijke boeren altijd op zondag droegen. Na een

gastvrij onthaal, was voor Willem de kleine kamer naast de keuken, die zo smal

was als een pijpenla, in orde gemaakt, maar hij kon de slaap niet vatten. Op de

grens van dromen en waken hoorde hij Klaas en zijn vrouw in het keukentje

overleggen, wanneer en hoe men hem zou ombrengen. Opgesloten in het

vertrek, als in een kooi, moest hij de dood afwachten. Het raampje was veel te

klein om door te ontsnappen, en de deur was aan de buitenkant gegrendeld.

Lang stond hij daar, ongewapend en weerloos, met zijn rug tegen het hout van

de bedstede, in angstige afwachting dat Klaas de deur zou openen.

Eindelijk gebeurde het. Langzaam kierde de deur en ging voorzichtig, o zo

voorzichtig open. Met het mes in de hand sloop Klaas naar het bed, maar Willem

was voorbereid. Met een kreet als een dier in nood, stortte de marskramer zich

op de oude rover, zodat het mes uit de hand van de moordenaar viel.

Ze worstelden in het donker, maar het duurde niet lang, want vrouw Aarne kwam,

en hield de flikkerende olielamp boven hun hoofden, om haar zoon bij te lichten.

Jannes, de oudste, had een bijl in zijn hand en stond klaar om toe te slaan, maar

hij kon in die kleine ruimte zijn zwaai niet goed nemen, en pas toen men met

vereende krachten de hevig tegenspartelende marskramer naar de keuken had

gesleept, ging het moordenaarswerk hem beter af. Met één flinke houw werd de

schedel van Willem Stint gespleten. In diezelfde nacht nog werd hij, nadat men

zijn geld had geteld, niet ver van de anderen in de heidegrond begraven.

De oude Stint was een koppige Westfaler en toen zijn zoon op de dag voor

Kerstmis nog niet thuisgekomen was, begreep hij dat er wat gebeurd moest zijn.

Hij nam een stok van de muur en ging op weg om zijn zoon te zoeken. Hij sprak

de mensen aan die hij in de dorpen ontmoette, en vroeg in de herbergen en aan

de deuren van afgelegen boerderijen of men zijn zoon Willem soms ook hadden

gezien, die elk jaar in deze streek zijn kousen kwam verkopen.
Menigeen herinnerde zich dat hij Willem dat najaar nog had gezien en zo liep de

oude Stint verder, in de voetsporen van zijn zoon, van dorp tot dorp, tot hij op

de laatste weg kwam die zijn zoon was gegaan.
Op een zondagmorgen kwam hij in Delden aan toen de kerk juist uitging en hij

zag de boeren in groepen over het plein naar de herbergen gaan. Juist stond hij

op het punt om hen te volgen en zijn vragen te stellen, zag hij een grote sterke

kerel de kerkdeur uitkomen die heel bijzondere kousen droeg. De ouwe heer

herkende ze op het eerste gezicht, want het was zijn bloedeigen handwerk, de

kousen waarvan hij er maar één paar had geweven, het paar dat zijn zoon elke

zondag had gedragen. Ook herkende hij de typische broek van de kousenkoop-

man met gebreide zakken, die onmiskenbaar van Willem zijn geweest.
"Wie is die man?"vroeg hij met bonzend hart aan een oude heer, die op zijn stok

geleund bij hem in de buurt stond.

"Dat is Huttenklaas van de Wienersteeg."
Diezelfde middag ging de oude Stint naar het huis van de rechter. "Ik wil een

aanklacht tegen Huttenklaas indienen, rechter", zei hij. De rechter aarzelde:

"Eén getuige is geen getuige", zei hij. "Wanneer Huttenklaas je heeft bedreigd

en je geld afhandig heeft gemaakt, zullen zijn vrouw en zijn zoons zweren, dat

hij op dat uur op een heel andere plaatst was, en niemand zal naar voren

kunnen komen om je te helpen. Huttenklaas is de schrik van de buurt en men is

banger voor hem en zijn zoons dan voor mij en mijn bosjagers".
"Huttenklaas heeft mijn zoon gedood en hij draagt mijn kleren. Hij zal boeten.

Mijn dode zoon zal mijn getuige zijn, als ik de moordenaar aanklaag", zei de

oude Stint. "Als je het zo ziet, dan zal ik hem zondag, als de kerk uitgaat,

gevangen nemen", beloofde de rechter en hij zette die dag vier sterke, met

geweren gewapende bosjagers bij de kerkdeuren die Huttenklaas en zijn

oudste zoons in de kladden grepen. Zij verzetten zich niet, want ze voelden

zich zeker van hun zaak. Een paar uur later werden ook de vrouw en de

jongste zoon, die thuis waren gebleven, in de kraag gevat en de vier

gevangenen werden allemaal apart opgesloten, om ervoor te zorgen dat ze

onderling geen afspraken zouden kunnen maken. Van bekennen was echter

geen sprake en pas toen men Gerrit, de jongste zoon, met de pijnbank in

Oldenzaal had gedreigd, kwam het hoge woord eruit: "Jannes hef den kremer

met de bile (bijl) dood ‘ehouwen, want hé lag opde vaer en de moor (moeder)

heul de lampe en hef ok het geld dat d’n kremer in ’n tuk (zak) in de spinge

elegt" Daarna was het snel bekeken met Huttenklaas en de zijnen, want ze

werden naar Oldenzaal gebracht, waar men Klaas met ijzeren banden vast-

klonk aan de leuningen en aan de poten van een houten stoel die nog in de

oudheidkamer te zien is, en na een kort rechtsgeding werd het vonnis over

hem uitgesproken. Klaas en zijn zoon Jannes werden veroordeeld om levend te

worden geradbraakt, Aarne zou met een koord worden gewurgd en Gerrit de

jongste, tegen wie men niets bewijzen kon, werd als scheepsjongen naar zee

gestuurd, een probaat middel om jonge mannen kwijt te raken, van wie men

niets goeds te verwachten had. Toen Huttenklaas en zijn vrouw de gevange-

nis verlieten om op de markt te worden terechtgesteld, stond het er zwart van

de mensen, die zich dit schouwspel niet wilden laten ontgaan. Als ijdele vrouw

schikte Aarne, bij het zien van deze menigte, haar halsdoek recht, en ze zei

tegen haar man: "Kiek’ees Kloas, wat wij een volk op de bruulfte hebt."
Een uur later, toen de beul en zijn helper met ijzeren staven alle ledematen van

Klaas braken en hij het uitgilde van de pijn, zei Aarne met ijzige kalmte: "Och,

onze Kloas is ait (altijd) weekzeerig ‘ewest!"
Nog lange tijd heeft men hun lichamen vastgespijkerd op een rad en in ketenen

geklonken, voor het oog van iedereen laten hangen op de Galgebult, om andere

rovers af te schrikken. Op het laatst heeft men ze onder de galg begraven.
Het was in het jaar 1775 dat Huttenklaas en zijn vrouw en zoon waren terecht-

gesteld, en twintig jaar later werd de zware eikenhouten galg met alle andere

toestellen die op de bult te vinden waren, omgehakt door de Franse soldaten,

en op het haardvuur van de boerderij "De Nieuwenboer" in brand gestoken.

Het vuur laaide snel op... Er was een andere tijd aangebroken.